uw leverancier voor frezen, graveer- en freesmachines Ketele NV - Mechelsesteenweg, 1-3 - B-2540 Hove uw leverancier voor lasers en graveermaterialen
    Nederlands Nederlands Franšais Français
 
 
CorelDRAW tips en trucs
 
Foto's uitsnijden met Corel Photo-Paint (januari 2007)

Graveer je regelmatig foto's met je lasergarveermachine, of bezit je een Roland MPX-70 metal impact printer, dan word je voortdurend geconfronteerd met het voorbereinden van foto's zodat ze gegraveerd tot een optimaal resultaat leiden. Een belangrijk en tijdrovend onderdeel is het verwijderen van storende achtergronden rond het object dat je wenst te graveren.
Corel X3 Photo-Paint biedt hier een perfecte oplossing.
In vorige versies van Corel Photo-paint was het al mogelijk om storende achtergronden uit een foto te verwijderen, maar dat was een tijdrovende job. Als je teveel tijd spendeert aan de voorbereiding van een foto, wordt je winstmarge beduidend kleiner, want je klant zal niet echt bereid zijn jouw dure werkuren te betalen. Het is dus belangrijk dat je snel tot een bruikbaar resultaat komt. Hieronder zie je een voorbeeld. De linker foto is de originele, de middelste foto is dezelfde, maar na het uitknippen van het voorwerp. In de rechtse foto werk het uitgeknipte deel geplakt in het ontwerp.

     
fig 1: de originele foto fig 2: uitsnede op transparante achtergrond fig 3: de uitsnede geplakt op een zwarte achtergrond

Hoe ga je nu tewerk ?

1 In het programma "CorelDRAW" importeer je de gewenste foto. Je plaatst de muiscursor op de foto, je klikt op de rechter muistoets en dan op de keuze "bitmap bewerken". In het "Uitsnedelab" in Corel PhotoPaint creëer je een beelduitsnede op een transparante achtergrond, dat je in CorelDRAW importeert of plakt. Die transparante achtergrond is een voordeel als je het uitgesneden beeld wilt plakken op een gekleurde achtergrond of in een andere foto.
2 Je opent de foto direct in Photo-Paint X3. Na bewerking kun je dan de foto importeren in CorelDRAW.

  In het beeld dat we hier als voorbeeld gebruiken willen we de arend uitsnijden (zie fig 1). En we gebruiken de eerste methode. Het is wel nodig dat je over een voldoende krachtige PC beschikt met een groot RAM geheugen.
De "bitmap bewerken" instructie opent je foto automatisch in Corel Photo Paint X3. Dit menu vind je door in CorelDRAW je muiscursor op de geïmporteerde foto te plaatsen en dan op de rechter muistoets te klikken. De figuur hiernaast (fig 4) toont een deel van het menu dat dan zichtbaar wordt. Je klikt op de eerste keuze: "Bitmap bewerken...", Corel PhotoPaint wordt automatisch geopend en je foto wordt in het werkvlak afgebeeld.

Eenmaal geopend, ga je naar het "Uitsnedelab". Je krijgt toegang tot het "Uitsnedelab" door in het menu "Afbeelding" op de keuze "Uitsnedelab" te klikken. (zie figuur 5)

Figuur 6 toont het venster dat geopend wordt. De ikonen links bovenaan zijn zoom gereedschappen. Rechts bovenaan staan de belangrijkste ikonen.

Het eerste gereedschap is de "Markeerstift" (groene vilttip). Met dit gereedschap kun je de outline van het deel van de foto dat je wenst uit te knippen, aanduiden.

 
fig 5: het menu "Afbeelding"

fig 4: Bitmap bewerken






  Het volgende ikoon is het "Vulgereedschap" gereedschap. Nadat je met de markeerstift een gesloten deel hebt aangeduid, kun je het vullen met het "Vulgereedschap". Als je dat doet, weet het programma dat je dit deel van de foto wenst te behouden. Met het "Gumgereedschap" kun je het gemarkeerde deel dat je getekend hebt, uitwissen. Met de penselen uiterst rechts bovenaan in dit venster kun je delen van de foto die je wenst of niet wenst, uitwissen of terugzetten. Het betreft de knoppen "Detail toevoegen" en "Detail verwijderen". Het resultaat of de staat van je uitsnede zie je door rechts onderaan in het uitsnede venster op de knop "voorbeeld" te klikken.
In de rechthoek "Gereedschapsopties" kun je de penbreedte van de "Markeerstift" aanpassen. Je kunt ook de "Markeringskleur" en de "Vulkleur" wijzigen.
In figuur 7 zie je de dikke groene lijn die ik tekende. Dit is de lijn die met de "Markeerstift" getekend werd. Je zorgt ervoor dat ongeveer de helft van deze lijn het deel van de foto bedekt, dat je wilt uitknippen, en de andere helft het deel van de foto dat je niet wilt behouden. De dikte van de lijn zal de nauwkeurigheid van het uitgeknipte deel bepalen. In het "Uitsnedelab" kun je opties voor sommige gereedschappen instellen. Zo kun je bijvoorbeeld de dikte van de markeerstift bepalen door de penbreedte van de markeringskleur te wijzigen. Als een afbeelding heel scherpe randen heeft, kun je een dunnere lijn gebruiken om de randen met meer precisie te bepalen. Als de randen van het object op je foto wazig of minder scherp zijn, gebruik dan een bredere markeerstift. Je kunt ook de kleur van de markeerstift en van het vulgereedschap veranderen om ze opvallender te maken.
fig 6: het "Uitsnedelab" venster
fig 7 fig 8 fig 9 fig 10

Het bepalen van de optimale markeerlijn dikte vraagt wat oefening. In figuur 7 gebruikte ik een lijndikte van 20. Eenmaal de lijndikte bepaald, kun je de lijn tekenen. Hoewel meestal met een muis getekend wordt is een tablet beter voor deze toepassing.
Als je de contour van het object op je foto volledig getekend is, moet je controleren of er geen gaten zijn in de groene lijn. Als die er wel zijn, zal het opvullen niet werken.
Kies nu het vul-gereedschap rechts bovenin het uitsnedelab-venster. Beweeg met het vul-gereedschap naar je voorwerp en klik binnenin het vlak dat je hebt aangeduid met de groene "markeerstift". (fig 8). Vooraleer in dit vlak te klikken hebben we de vulkleur oranje gemaakt, maar elke andere kleur kan natuurlijk ook. Als je inzoomt op linkerdeel van de arendskop, zul je zien dat sommige delen van de foto informatie bevatten die je wenst en andere bevatten informatie die je niet wenst. Figuur 9 toont dit. Je ziet dat een deel van de arend dat verloren is. De buitenkant van deze arend is tamelijk transparant. Laten we de arendskop terug normaal maken. Om dat te doen, moet je het "Detail toevoegen" penseel (rechts boven in het Uitsnedelab-venster) kiezen. Ook hier kun je de penbreedte aanpassen. Als je de breedte bepaald hebt kun je de arendskop terug inkleuren. Het is wel belangrijk dat je weet dat wanneer je het "Uitsnedelab" verlaat, of wanneer je de "beginwaarde" knop aanklikt, het niet langer mogelijk blijft om je object te wijzigen. Een vaste hand is nuttig, een tablet vergemakkelijkt de job.
Figuur 15 toont de uitgesneden figuur. Zoals hoger al aangegeven bekom je deze door in het uitsnedelab rechts onderaan op de knop "voorbeeld" te klikken.

F F
  Er is nog een functie in het Uitsnedelab die je misschien wenst te gebruiken. Deze functie biedt je de mogelijkheid om de achtergrond kleur te wijzigen.
Een achtergrond met dambordpatroon betekent dat deze transparant is. Een transparante achtergrond maakt het nochtans soms moeilijk om details van je foto te kunnen zien.
In het vak "voorbeeldinstellingen" kun je de achtergrond instellen.
"Geen" betekent een transparante achtergrond, voorgesteld door een dambordpatroon (zie figuur 11).
"Grijstinten", "Matzwart" en "Matwit" zijn de ander opties. In figuur 12 zie je de arend op een matzwarte achtergrond. Afhankelijk van de kleuren in je uitgesneden figuur kan de een of de andere achtergrond een duidelijker contrast opleveren om de kwaliteit van je uitgesneden beeld beter te kunnen beoordelen.
Nadat je de nodige correcties hebt aangebracht met de knoppen "detail toevoegen" en "detail verwijderen", kun je natuurlijk de achtergrond terug instellen op "geen". (zie figuur 13). Dan klik je rechts onderaan in het "uitsnedelab" venster op OK.

Nu rest nog het terugzetten van de uitgesneden arendskop in het ontwerp in CorelDRAW:
i
fig 11 fig 12



fig 13


 

Je kijkt of de arendskop eruit ziet als in figuur 14. Dus je ziet een blauw-witte bewegende stippellijn rond de kop en een oranje stippellijn rechthoek. Als je deze aanduidingen niet ziet, klik je eenvoudig de linker muisknop terwijl de muiscursor zich op de arendskop bevindt. Er zijn nu twee mogelijkheden:

1. Je klikt op de menukeuze "Opslaan als" in het menu "Bestand". Je vinkt de optie "alleen selectie" aan en je geeft het bestand een naam. Nadien open je het CorelDRAW venster en je kiest de "import" functie in het menu "Bestand".

2. Je klikt op de menukeuze "Kopiëren" in het menu "edit". Daarna open je het CorelDRAW venster en je kiest de "plakken" functie in het "edit" menu.

 
  fig 14
 
Gescande logo's vectoriseren met Corel PowerTRACE (november 2006)
X3 is de laatste nieuwe versie van CorelDRAW. En het moet gezegd, in deze versie werden drastische verbeteringen doorgevoerd. Vooral voor graveer- en freestoepassingen zijn vele interessante nieuwigheden toegevoegd. CorelDRAW was altijd al een heel krachtig grafisch programma, en wie zoals wijzelf zowel Corel als Adobe Illustrator kennen en gebruiken, weet meestal wel welk programma de meeste mogelijkheden biedt... Terwijl Illustrator dominant is in prepress en digitale printtoepassingen, biedt CorelDRAW betere oplossingen voor graveer- en freestoepassingen. En om optimale flexibiliteit te bieden hebben de auteurs van Corel verbeterde uitwisselbaarheid doorgevoerd met andere industriestandaarden, zoals Illustrator, zoals PDF en zoals Photoshop.
Nuttig om weten is dat je deze versie van Corel niet moet installeren op een PC met minder dan de volgende uitrusting: Pentium IV - 1 Gb ram - Windows XP - CDrom - 1024 x 768 pixels beeldscherm.

Zeer veel gebruikers uit de signwereld in het algemeen, en meer specifiek graveurs, gebruiken een specifiek scan- en vectoriseringsprogramma. Het CorelTRACE programma dat met vorige versies van CorelDRAW werd meegeleverd, was gewoon te complex in gebruik en gaf in verhouding slechte tot onbruikbare resultaten. Wel, dat is verleden tijd. CorelTRACE onderging een ware metamorfose. Het is ook niet langer een stand-alone programma, maar het is toegangkelijk via CorelDRAW. PowerTRACE, het nieuwe vectoriseringsprogramma van Corel, kan nu gerust wedijveren met de allerbeste vectoriseringsprogramma's uit de signwereld, aan een fractie van de prijs. Hoe je dit programma gebruikt, wordt hieronder uit de doeken gedaan.

We beginnen met een bitmap afbeelding. Zo'n afbeelding bestaat uit pixels of punten. Elke bitmap afbeelding heeft een zogenaamde resolutie. De resolutie is hoger naarmate de bitmap meer punten bevat. In de afbeelding hierboven zie je zo'n bitmapafbeelding; Als je een deel van deze afbeelding uitvergroot, merk je dat de randen gekarteld zijn. Dat komt omdat elke pixel de vorm van een vierkantje heeft. Zo begrijp je meteen ook waarom bitmap bestanden niet onbeperkt kunnen uitvergroot worden. De kwaliteit van het beeld wordt dan slechter. De meeste CNC graveermachines (behalve lasers) kunnen bovendien geen pixelbestanden graveren. Daarvoor heb je een vectorbestand nodig. PowerTRACE berekent snel en perfect de vectorcontouren van een pixelbestand, ook van complexe logo's waarin stukken tekst zitten.
CorelTRACE opstarten is eenvoudig. Eerst scan je een logo of een afbeelding, bv in TIFF of in BMP formaat, die je dan in CorelDRAW importeert. Vermijd voorlopig het importeren van een JPG of van een kleurenbitmap. Hoe beter de kwaliteit van je originele afbeelding, hoe beter ook het gevectoriseerde resultaat zal zijn. Na import in CorelDRAW selecteert u het logo. Je zult merken dat er in de taakbalk een ikoon bijkomt, "Bitmap overtrekken" genaamd. (zie figuur rechts).
Klik op de knop "bitmap overtrekken" en je zal een pulldown menu zien opengaan (zie figuur hieronder). Binnen dit menu vind je een aantal keuzes. Elke keuze geldt voor een ander soort pixelbestand. Het logo dat we in dit voorbeeld gebruiken is gedetailleerd en van tamelijk goede kwaliteit, dus kies je hier voor de optie "gedetailleerd logo". Het is nochtans niet zeker dat dat de beste keuze is. Maar geen probleem, het Vectoriseringsproces kan gestuurd worden zodat je toch het best mogelijke resultaat bekomt.
De beschikbare menukeuzes geven je elk verschillende startparameters voor het vectoriseren. Nochtans zijn het niet meer dan beginwaardes, die je naar believen kunt aanpassen. Welke keuze je dus ook aanklikt in het menu in de figuur links, je kunt altijd alle variabelen sturen om zo het beste resultaat te bekomen.
In de figuur rechs hiernaast zie je het dialoogvenster. Het bevat heel wat informatie. Het dialoogvenster maakt deel uit van het grotere "PowerTRACE" venster. In het linker bovendeel van dit venster zul je merken dat er drie opties zijn om uit te kiezen:" Voor en na", "groot voorbeeld" en "draadmodeloverlay" (zie figuur hieronder). Laten we nu even de "draadmodeloverlay" optie nemen. In deze optie worden de gevectoriseerde lijnen en krommen bovenop het gescande logo geplaatst. Het originele beeld schijnt als het ware door op je beeldscherm. Hoe veel dat beeld doorschijnt is instelbaar in het "transparantie" veld. Hoe groter het transparantie-getal, hoe minder de originele bitmap zichtbaar is. Als je de schuifinstelling op 100 zet, wordt het originele beeld helemaal onzichtbaar.

Nog altijd in hetzelfde dialoogvenster in het tabblad "opties" zijn er drie onderverdelingen: Kleur, Opties en Overtrekregelaars. We bekijken ze even hieronder:

Kleur Hier stel je het kleurmodel in dat het meest overeenkomt met de kleuren in je gescande of geïmporteerde logo. In dit voorbeeld zie je alleen zwart en wit. Je ziet dan ook dat in het vakje "aantal kleuren" een 2 staat. Dit getal geeft het aantal kleuren aan dat zich in de bitmap bevindt die gevectoriseerd zal worden. Als je een kleurenbitmap opent, importeert of scant, dan kun je hier het aantal kleuren verminderen, tot een niveau dat handelbaar is.
Opties Hier kun je het originele object verwijderen, dus de gescande bitmap. De "Achtergrond verwijderen" knop zal gelijk welke achtergrondkleur wissen. In het "Oktoberfest" logo was de achtergrond wit. Door op de "Achtergrond verwijderen " knop te drukken, wordt de witte achtergrond gewist. Het resultaat is een dambordpatroon, zoals in de figuur hiernaast.
Overtrekregelaars Hier wordt het resultaat van de vectorisering opgegeven. Indien je bv naar het resultaat kijkt in de
figuur hierboven zie je dat er xxx objecten zijn, xxxx nodes en xx kleuren. Als je het detail en de smoothing aanpast, zal dit getal veranderen. Hoe minder knooppunten een logo bevat, hoe gemakkelijker het nadien kan gewijzigd worden, dus ook hoe gemakkelijker het kan verbeterd worden om fouten en onregelmatigheden weg te werken.
   
Je ziet dat het type afbeelding een "gedetailleerd logo" is. Deze keuze bepaalt de instellingen voor "effening" en "detail". We bekijken deze twee opties hieronder.

Effening Via deze optie wordt de mate van gladstrijken bepaald. Hoe meer de curves gladgestreken worden, hoe minder knooppunten ze bevatten, maar ook hoe groter de afwijking van het origineel kan zijn. Hoe lager de effening-waarde, hoe meer knooppunten en hoe nauwkeuriger de originele bitmap gevolgd wordt. In het algemeen kun je stellen dat hoe beter de kwaliteit van je originele afbeelding is, hoe minder je zult moeten gladstrijken. Omgekeerd, hoe slechter het origineel, hoe meer je zult moeten gladstrijken.
Detail Hiermee controleer je hoeveel detail uit het origineel in het gevectoriseerde resultaat moet blijven bestaan. Hogere waardes resulteren in meer details en leveren meer kleuren en een groter aantal contouren. Bij een hoogkwalitatief origineel kun je meer detail vragen dan bij een slecht origineel.

Hoe vectoriseer je een logo met kleuren ? Het nieuwe CorelTRACE programma voorziet in een oplossing voor dit probleem. Elk verschillend gekleurd vlak zal individueel gevectoriseerd worden.
Scan of importeer een kleurbitmap. Je selecteert deze bitmap en je klikt op "Bitmap overtrekken " in de taakbalk. Alle hoger besproken variabelen gelden ook voor kleurlogos. Je kunt het aantal kleuren verminderen tot een werkbare hoeveelheid. Je vraagt je misschien af waarom dat nodig zou zijn. Wel, scan je bv. een rood vlak, en zoom je daarna de pixels uit, dan zul je zien dat je rode vlak misschien wel honderd of meer verschillende tinten rood bevat, terwijl je optisch slechts één rood vlak ziet en wilt vectoriseren. Het programma ziet elke tint rood als een andere kleur, en zal proberen om rond elke kleur een contour te vectoriseren. Je kunt in dit voorbeeld het aantal kleuren verminderen tot 2, zijnde wit en rood. Daardoor worden alle verschillende tinten rood herleid tot éénzelfde tint, en wordt bijgevolg het rode vlak als één enkele contour gevectoriseerd. Heb je nu bv een logo met daarin wit, zwart, diverse rood-, groen- en blauwschakeringen, dan stel je het aantal kleuren in op vijf. (zie afbeeldingen hieronder)

   
at  
 
omhoog
  <onze Graflux website> <onze Bagsealers website>
 
-